Longfunctietest, een lesje spirometrie
Voor veel patiënten met longfibrose is het een vast onderdeel van het onderzoek in het ziekenhuis: de longfunctietest, oftewel spirometrie. Waarom is die test belangrijk? En als u voor het eerst de test ondergaat: hoe werkt het?
Wat is spirometrie?
In het woord spirometrie zit ‘spiro’, dat komt uit het Latijn en betekent ademen. Spirometrie meet hoe goed u kan in- en uitademen en de snelheid waarmee dit gebeurt. Deze meting gebeurt met behulp van een spirometer.
Spirometrie is niet pijnlijk, maar wordt soms wel als belastend ervaren. Dat komt omdat u aangemoedigd wordt maximaal te presteren door zo diep mogelijk in en uit te ademen of zo hard en zo snel mogelijk uit te blazen. Dat is niet altijd prettig en kan een hoestbui veroorzaken. Door de uitkomsten te vergelijken met die van eerdere onderzoeken, krijgt uw longarts een goed beeld van hoe de longfibrose zich ontwikkelt.
Een spirometrie laat zien hoe uw longfibrose zich ontwikkeld
Hoe verloopt het onderzoek?
U zit tijdens het onderzoek op een kruk en soms in een glazen hokje (zoiets als een ouderwetse telefooncel). U krijgt een mondstuk in de mond en een zacht klemmetje op de neus, zodat u alleen door uw mond kunt ademen. Het mondstuk is verbonden met een computer. De longfunctieanalist begeleidt u stap voor stap, zodat u weet wat er van u verwacht wordt.
Het onderzoek bestaat uit een serie ademhalingsoefeningen, zoals zo diep mogelijk in- en uitademen en zo hard en snel mogelijk uitblazen. Om een betrouwbaar resultaat te krijgen, worden deze metingen driemaal gedaan. Soms wordt het onderzoek herhaald nadat u een medicijn heeft ingeademd om te kijken of uw luchtwegen hierop reageren. De metingen worden verwerkt in de aangesloten computer.
U hoeft zich niet voor te bereiden op het onderzoek. U kunt vooraf gewoon eten en drinken. Roken wordt afgeraden gedurende de 4 uur voorafgaande aan het onderzoek. Draag vooral comfortabele kleding die niet knelt. Kom op tijd, zodat u even rustig kunt bijkomen voor het onderzoek start. Het onderzoek duurt gemiddeld een half uur tot drie kwartier.
De uitslag
Na afloop van het onderzoek krijgt u de uitslag van uw behandelend arts. Soms kan dat nog dezelfde dag. Voor de uitslag van de longfunctietest gebruiken artsen Engelse termen en afkortingen (zie het kader). Vraag altijd uw longarts als u (meer) uitleg wenst op de uitkomsten van het onderzoek. Blijf met uw vragen niet rondlopen.
Thuismonitoring
Longartsen en onderzoekers hebben samen met longfibrosepatiënten een app gemaakt, waarmee patiënten thuis hun longfunctie, symptomen en bijwerkingen bijhouden. Ook hebben zij contact met hun arts via videoconsulten. Eerder onderzoek liet zien dat thuismonitoring het welzijn van patiënten en het gebruik van medicijnen verbeterde. In het onderzoek dat nu loopt (onder de naam SUITS) wordt over een periode van een jaar met een grote groep patiënten ervaring opgedaan met thuismonitoring. Doel van deze ontwikkeling is om zorg op maat mogelijk te maken; als het kan thuis, als het nodig is in het ziekenhuis.
De getallen uitgelegd
Als patiënt met longfibrose ondergaat u geregeld een longfunctietest. Uit de test volgen verschillende waarden die voor de ontwikkeling van de ziekte belangrijk zijn. Wellicht bent u ze al eens tegen gekomen, bijvoorbeeld in de rapportage van de longarts aan uw huisarts.
FVC
De eerste waarde is de FVC (Forced Vital Capacity). Op grond van onder andere leeftijd en gewicht wordt vooraf een te verwachten waarde berekend. Die waarde gaat over de situatie dat u gezond bent. Omdat u longfibrose hebt, zal de waarde doorgaans lager zijn. Dat wordt uitgedrukt in een percentage van de voorspelde waarde. Dat percentage heet de FVC. Hoe lager het percentage, des te verder heeft de longfibrose uw longen aangetast.
FEV1
De tweede waarde is de FEV1, ook bekend als FEV1 (Forced Expiratory Volume in one second). Het geeft aan hoeveel lucht iemand in de eerste seconde van een geforceerde uitademing kan uitblazen.
DLCO
De derde is de DLCO (de diffusiecapaciteit van de long voor koolmonoxide). Dit is de maatstaf voor hoe goed zuurstof van de longblaasjes naar het bloed wordt doorgegeven. Is deze waarde 80% of meer, dan is het normaal. Bij patiënten met longfibrose is deze verlaagd.
